Zoönose.
 

Een zoönose is een (infectie)ziekte die van gewervelde dieren kan worden overgebracht op
mensen. Zoönosen kunnen worden veroorzaakt door diverse (vaak onzichtbare) ziekteverwekkers,
zoals bacteriën, virussen en parasieten.

De overdracht van dier op mens kan plaatsvinden via direct contact, bijvoorbeeld bij aanraken van
het dier of wanneer men gebeten wordt, maar ook via indirect contact, bijvoorbeeld via de lucht
(inademen van virussen). Ook is het mogelijk dat de ziekte wordt overgebracht door stekende of
bloedzuigende insecten.

Een andere belangrijke route van overdracht van zoönosen van dier op mens is door het eten van
besmette dierlijke producten (vlees). Het dier, waarvan de ziekte wordt overgebracht op de mens
kan zelf ziekteverschijnselen vertonen, maar het is ook mogelijk dat het dier geen last heeft van de
infectie.

Hieronder vindt u allerhande informatie over de in Nederland meest voorkomende zoönosen.
We gaan hierbij uitsluitend in op ziekten die door gezelschapsdieren op de mens overgebracht kunnen
worden…
 

1. Mijten.
Er bestaan diverse soorten mijten. We zullen hier alleen die soorten behandelen die van nature bij
dieren voorkomen en ook de mens kunnen infecteren.

Scabiës wordt veroorzaakt door Sarcoptes scabiei (schurftmijt).
De verschillende ondersoorten van deze mijt leven op verschillende diersoorten en zijn
ook specifiek voor deze diersoorten. Zo kunnen de schurftmijten van de hond alleen op
de hond voor nakomelingen zorgen. Cheyletiella – mijten komen voor bij hond, kat en
konijn. De mijten zijn in de meeste gevallen diersoortspecifiek, maar ze kunnen ook
mensen besmetten.

Overdracht en besmettelijkheid.
Overdracht van dier naar mens is afhankelijk van de soort mijt. Scabiës bij de mens ontstaat via nauw
contact met geïnfecteerde dieren. Uit gegevens uit 1991 van de Faculteit der Diergeneeskunde blijkt
dat in 60% van de bij hen aangemelde gevallen van schurft bij honden er een contactinfectie optreedt
van hond naar mens, en hiervan heeft zo’n 50 tot 70 % van de gevallen er ook last van.
Indirecte overdracht van de schurftmijt is mogelijk wanneer bijvoorbeeld de kat op bed mag slapen.
Ook Cheyletiella wordt door nauw contact overgebracht, maar deze mijt klampt zich ook vast aan
vlooien en luizen.

Ziekte bij de mens.
Hoewel het vrouwtje van de menselijke schurftmijten diepe gangen graaft in de mensenhuid, doen de
mijten die van dieren overgedragen worden dit niet. De door dieren overgedragen mijten zorgen alleen
voor jeuk en hooguit wat huiduitslag.

Ziekte bij het dier.
Scabiës komt bij de hond voor bij alle leeftijden. Meestal begint het op de buik, waarna het zich over
het hele lichaam kan verspreiden. Er ontstaan jeuk en rode bultjes. Door het krabben ontstaan vaak
grote korsten en kale plekken. Bij de kat komt scabiës ook voor, maar het is zeldzaam en komt
voornamelijk op de kop voor (kopschurft). Wat meestal opvalt bij een Cheyletiella-infectie, is dat de
vacht heel stoffig lijkt. Dit komt door de overmatige schilfering van de huid. Hierbij heeft het dier
variabel last van jeuk: soms heel heftig en soms helemaal geen jeuk. Soms veroorzaakt ook
Cheyletiella rode bultjes en bij het konijn zien we vooral korsten op de rug, de borst en de flanken.

Preventie.
Besmetting is niet altijd te voorkomen, evenmin bij de mens als bij het dier.
Regelmatig huishoudelijk schoonmaken van de omgeving van het dier, inclusief de hondenmand en
kattenbak wordt aanbevolen. En het is verstandig het huisdier te laten behandelen bij de dierenarts.
Meestal moet het dier dan met een speciale shampoo gewassen worden.

Therapie.
Therapie is meestal niet nodig: de aandoening is zelflimiterend en gaat, als de huisdieren behandeld
zijn, bij de mens vanzelf weer over. Als dat niet zo is moet er contact opgenomen worden met de
huisarts.
 

2. Vlo.
De ziektekundige naam voor een infectie met vlooien is pulicosis.

Deze naam is afgeleid van de wetenschappelijke naam van de
mensenvlo Pulex irritans. Huidafwijkingen veroorzaakt door vlooien zijn bij
gezelschapsdieren een groot en vaak voorkomend probleem.
In principe kunnen de volgende species bij de hond en de kat worden gezien:
Ctenocephalides felis, Ctenocephalides canis en Pulex irritans.
C. felis komt bij zowel hond als kat het vaakst voor (ca 80 %), terwijl deze soort
ook bij fretten en konijnen gevonden kan worden.

Overdracht en besmettelijkheid.
Volwassen vlooien zijn ectoparasitaire bloedzuigende insecten, die permanent op de gastheer
aanwezig zijn en blijven. Ze zijn weinig gastheerspecifiek en kunnen dus ook naar de mens
overspringen. Bij de beet wordt vlooienspeeksel in de wond afgescheiden.
Het vlooienspeeksel bevat histamine-achtige componenten en enzymen die een ontstekingsreactie
veroorzaken. Door deze stoffen ontstaan de jeuk en ontsteking na een vlooienbeet.

Na paring zullen grote hoeveelheden vlooieneitjes geproduceerd worden die, omdat ze niet
vasthechten aan de vacht, vooral aanwezig zullen zijn in de omgeving. Na een periode van
2 - 12 dagen zullen witte larven worden gevormd.
Larven zijn lichtschuw en houden zich bij voorkeur op in vochtige donkere plekken.
Na 2 vervellingen gaan de larven over in een popstadium. In dit stadium is de vlo beschermd tegen
uitdroging tot wel 140 dagen. Het popstadium is ongevoelig voor insecticiden. Dit stadium vormt dus
nogal eens een tijdbom waaruit ook na lange tijd nog vlooien te voorschijn kunnen komen.

Ziekte bij de mens.
De mensenvlo komt slechts sporadisch voor maar C. felis en C.canis kunnen ook bij de mens aanleiding
zijn voor huidproblemen die gepaard gaan met jeuk.
 

Ziekte bij het dier.

Bij puppys en bij kittens kunnen vlooien aanleiding zijn tot bloedarmoede.
Verder kan de vlo tussengastheer van de lintworm zijn en kunnen vlooieninfecties
gepaard gaan met een lintworm-besmetting. Dieren kunnen huidontstekingen en in
sommige gevallen een allergische reactie op de vlooienbeten ontwikkelen.

Preventie.
Een goede vlooienbestrijding, niet alleen op het dier maar ook van de omgeving, zal de problemen bij de
mens doen oplossen. Hiervoor zijn verschillende middelen op de markt. Verder is het belangrijk om de
slaapplaatsen van uw dier regelmatig te reinigen en het hele huis regelmatig te stofzuigen.
 

3. Lintworm.
Lintwormen zijn parasieten die in de darm leven.

De meest voorkomende lintworm bij gezelschapsdieren is Dipylidium caninum.
Daarnaast komen, vooral bij de kat, Taenia taeniaformis en Taenia pisiformis voor.
Ten slotte is bij de hond de Echinococcus granulosus van belang wegens de zoönotische aspecten.


Overdracht en besmettelijkheid Lintwormen zijn gelede wormen, die steeds hun laatste deel, met
daarin de eieren, afstoten. Deze zogenaamde proglottiden komen al of niet samen met de ontlasting
via de anus naar buiten. Deze eieren worden vervolgens opgenomen door een tussengastheer (vlooien,
luizen, knaagdieren of konijnen). In de tussengastheer komt uit het lintwormei de lintwormlarve vrij.
Door het opnemen van vlooien of luizen of door het vangen van een muis besmetten hond en kat zich weer.
De volwassen vorm van Echinococcus leeft in de darm van de hond, maar de tussenvorm manifesteert zich
als blaasworm in de organen (lever, longen, hersenen) van paarden, herkauwers en de mens.
De besmetting van de hond met de Echinococcus lintworm vind plaats via het eten van rauw vlees.

 

Ziekte bij het dier.

Lintwormen geven bij het dier, behoudens het verliezen van proglottiden
(de welbekende rijstkorreltjes bij de anus) en dientengevolge soms wat jeuk aan
de anus, vrijwel nooit klinische verschijnselen bij hond of kat.

Ziekte bij de mens.
Bij de mens kan door het opeten van een besmette vlooienlarve zich in zeer zeldzame gevallen een
lintworm (Taenia of Dypilidium) ontwikkelen, overigens zonder klinische problemen. De mens kan zich
door contact met de ontlasting van zijn hond of met proglottiden nooit met Dypilidium of Taenia besmetten.
De Echinococcus lintworm komt in nederland zelden voor bij de hond door de verbeterde hygiëne en goede
vleeskeuring. Uit Zuid-Europese landen meegenomen (zwerf)honden vormen echter zeker een risico !
De mens kan zich besmetten via proglottiden in de ontlasting van zijn hond.
De tussenvorm van Echinococcus kan zich als blaasworm vestigen in lever, longen en hersenen van de
mens. De symptomen bij de mens kunnen daarom zeer uiteenlopen.

Preventie.
Zorg voor een goede hygiëne, met name het wassen van de handen na tuinieren of na het aaien van
een hond of kat is van belang. Verder is het het belangrijk om uw hond en kat minimaal twee keer per
jaar te ontwormen en ervoor te zorgen dat uw hond of kat geen vlooien heeft. Het vangen van kleine
knaagdieren door uw hond en vooral uw kat is meestal moeilijk te voorkomen.

Therapie.
De behandeling van een volwassen lintworm bestaat bij de mens uit anti-worm middelen die de huisarts
voorschrijft. De behandeling is eenvoudig en afdoende. Als er geen therapie ingesteld wordt, kan de
lintworm wel 20 jaar oud worden ! De behandeling van een blaasworm bij de mens is veel ingrijpender.
Deze wordt namelijk met chirurgie verwijderd. Bij aantasting van de lever kan het zijn dat chirurgie zelfs
niet meer mogelijk is.
 

4. Spoelworm.

Spoelwormen komen bij de hond vaak voor.
Bij de hond komt voornamelijk Toxocara canis voor.

Ziekte bij het dier.
Deze wormen zijn vooral een probleem bij jonge dieren. Zij worden besmet via de moedermelk
(hond en kat) of zelfs al in de baarmoeder (hond). Larven die in het moederdier in een ruststadium
aanwezig zijn, worden door de zwangerschap en het melkgeven “gewekt” en worden weer actief.
Alle pups en kittens hebben dan ook ook een spoelwormbesmetting tijdens hun eerste levensweken.
De larven van de spoelworm zijn de grootste schade-aanrichters. Zij kunnen door hun migratieroute
(die via lever, hart, longen en luchtpijp gaat) een longsonsteking veroorzaken in de eerste levensdagen.
Na het inslikken van de larven kunnen zij nl. voor maagirritatie en diarree zorgen, maar ook voor
verstopping door het ophoping van vele wormen. Bij ernstige besmettingen zien we in ieder geval
vermagering en verminderde groei.

Ziekte bij de mens.
Zo'n 20 procent van de nederlands bevolking heeft ooit contact gehad met larven van Toxocara.
Vaak gaat de aandoening onopgemerkt voorbij, soms treden er klachten op als buikgriep, hoesten,
spierpijn of algehele malaise.
Een buitengewoon ernstige vorm, die gelukkig zeer zelden voorkomt, is de larva migrans in het oog,
die tot gezichtsverlies kan leiden.

Therapie en preventie.
Pups en kittens moeten in hun eersten levensmaanden regelmatig ontwormd worden. Volwassen dieren
moeten afhankelijk van de situatie minimaal 2 maal per jaar ontwormd worden. Het preventief ontwormen
van de drachtige teef of poes heeft geen zin. De larven die in het lichaam van deze dieren ongemerkt
aanwezig zijn worden daardoor niet gedood. De melkgevend teef of poes dient echter altijd tegelijk met
de jongen ontwormd te worden.
 

5. Toxoplasma.
Toxoplasmose is een algemeen voorkomende infectieziekte die veroorzaakt wordt door de eencellige
parasiet Toxoplasma gondii. Groei en vermenigvuldiging van deze parasiet gebeurt in twee stadia.

Het ene stadium vindt alleen plaats in katachtigen:
hier worden een soort eitjes (oöcysten) geproduceerd.
Het andere stadium vindt in alle mogelijke dieren plaats (katten, mensen, vogels
en andere dieren): hier vermenigvuldigt de parasiet zich door deling en heet dan
tachyzoiet of bradyzoiet. De kat wordt ook wel eindgastheer genoemd, terwijl
andere dieren dan katten tussengastheer worden genoemd.


Overdracht en besmettelijkheid.
In de kat dringt Toxoplasma de cellen van de dunne darm binnen om zich daar massaal te
vermenigvuldigen. Na een paar dagen vormen deze parasieten eitjes (oöcysten), die met de ontlasting
naar buiten komen. De achtergebleven parasieten verdwijnen en de kat scheidt daarna dus ook geen
eitjes meer uit. Maar in de periode dat dit wel gebeurt (twee à drie weken), komen er met de ontlasting
vele miljoenen eitjes naar buiten. Na twee of drie dagen zijn deze eitjes zover ontwikkeld, dat ze voor de
volgende gastheer besmettelijk zijn. Behalve dit stadium, dat zich in de dunne darm afspeelt, komt er in
de kat ook nog een ander stadium voor.
Hierin worden de tachyzoieten gevormd, die zich door het hele lichaam kunnen verspreiden.
Deze tachyzoiet dringt binnen in allerlei cellen van de gastheer en maakt daar een soort blaasje (cyste)
om zich heen, waar het de rest van de tijd verblijft. De parasiet in dit blaasje wordt bradyzoiet genoemd.
Dit laatste stadium, dat zich overal in het lichaam kan voordoen, komt ook in andere diersoorten
(vogels, muizen, varkens, mensen) voor. De bradyzoiet blijft in het lichaam van het dier zolang dit dier leeft.
Mensen (baby's) kunnen zichzelf via 3 wegen besmetten:

* Via kattenontlasting (opname van de besmettelijke oöcysten);
* Via onvoldoende verhit vlees (opname van de tachy- of bradyzoieten);
* Via de baarmoeder (tijdens de zwangerschap opgenomen oöcysten).

De oöcysten kunnen opgenomen worden als kinderen in een zandbak spelen waar veel katten komen,
als men in de tuin werkt zonder handschoenen en o.a. bij het verschonen van de kattenbak.

Ziekte bij de mens.
Een Toxoplasma-infectie bij de mens, door opname van oöcysten of besmet vlees, wordt vaak niet
opgemerkt, aangezien deze zelden tot ziekteverschijnselen leidt. Eventuele tekenen van infectie zijn
weinig specifiek: moeheid, lusteloosheid, soms wat koorts. Bij de minder frequente, lymfatische vorm,
die sterk doet denken aan de ziekte van Pfeiffer, worden daarnaast ook vergrote lymfeknopen gezien,
evenals spierpijn, lever- en miltvergroting. Soms vertoont de patiënt ‘n ernstiger ziektebeeld, dat is
vooral het geval als er sprake is van een verminderde afweer.
Ernstige oogontstekingen, longontsteking en hersenvliesontsteking kunnen dan optreden.
Bij infectie tijdens de zwangerschap vindt tot ongeveer 40% v d gevallen overdracht van moeder op
kind plaats. De gevolgen van deze infectie op het kind worden in hoge mate bepaald door het tijdstip
waarop infectie optrad. Infecties vroeg in de zwangerschap leiden, gezien de kwetsbaarheid van zich
ontwikkelende orgaansystemen, veelal tot ernstige afwijkingen. Abortus zal vaak het gevolg zijn.
Bij de geboorte ziet men dan o.a een waterhoofdje, stuiptrekkingen en ontwikkelingsstoornissen
(te klein hoofd, blindheid). Latere infecties leiden tot ‘n infectieus beeld met koorts of instabiele
temperatuur, uitslag, bloedarmoede, geelzucht en lever- en miltvergroting. Doodgeboorte kan ten
gevolge van toxoplasmose voorkomen. Vaak is de infectie bij de geboorte echter nog niet zichtbaar.

Ziekte bij het dier.
Bij katten zien we vrijwel geen symptomen tgv een Toxoplasma-infectie.
Een enkele keer worden wel bij jonge katjes ziekteverschijnselen gezien.
Bij katten met een onderliggende chronische ziekte flikkert een vroegere infectie met Toxoplasma nog
wel eens op en zien we ook verschijnselen. Meestal zijn dit dan longontstekingen en oogaandoeningen.

Verspreiding en frequentie
Uit onderzoek blijkt dat 64% van de volwassen katten seropositief is. Zij scheiden echter meestal
alleen met de ontlasting oöcysten uit als ze voor het eerst besmet zijn. Daarna zijn ze immuun en
krijgt de parasiet de kans niet meer om zich te vermenigvuldigen en eitjes te produceren.
In Nederland schat men dat zo’n 45 % v d vrouwen al vóór de eerste zwangerschap in contact is
gekomen met Toxoplasma. 55 % loopt dus risico op overdracht van de parasiet naar het ongeboren kind.

Preventie.
Allereerst moet vlees altijd goed gaar worden gegeten. Verder moet men vermijden dat katten kunnen
komen op plaatsen waar veel kinderen spelen (door bijvoorbeeldeen deksel op de zandbak te leggen).
Was groenten en fruit (uit eigen tuin) altijd heel goed en draag handschoenen bij het tuinieren.
Iedere dag dient de kattenbak schoongemaakt te worden (de eitjes worden pas na 48 uur infectieus),
maar vermijd dit klusje indien u zwanger bent (laat het dan een ander doen).
Altijd goed de handen wassen na contact met grond, vuil of stro.

Therapie.
Er bestaan middelen tegen de infectie met toxoplasma, maar in dit geval geldt zeker dat voorkomen beter
is dan genezen. De middelen kunnen soms de weefselcysten niet goed bereiken en ook wordt niet altijd de
overdracht naar de ongeboren baby voorkomen.


6. Ringworm.

Ringworm is geen worm. Het is een aandoening die veroorzaakt wordt door gistachtige
schimmels, meestal uit de familie Microsporum of Trichophyton. De schimmel dringt de
bovenste lagen van de huid binnen, begint daar te groeien en sporen te vormen.
Met deze sporen vermenigvuldigt de schimmel zich en kan zich verspreiden naar andere
mensen en dieren. Ringworm komt wereldwijd voor en het is de meest voorkomende
zoönose die niet via voedsel overgedragen wordt
.

Overdracht en besmettelijkheid.
Veel dieren, maar ook mensen, zijn symptoomloos drager van de schimmelsporen die ringworm kunnen
veroorzaken. Zij kunnen de schimmel overdragen op anderen zonder dat ze zelf verschijnselen vertonen.
De infectie kan van dier naar mens overgedragen worden, maar ook van mens naar mens of van mens naar
dier. Vooral in een natte, enigszins verweekte of beschadigde huid kunnen de sporen goed doordringen.
Dit kan ook via de omgeving. Bijvoorbeeld via hondenkleedjes of borstels. Nadat de schimmel de huid is
binnengedrongen, duurt het gemiddeld 2 tot 3 weken voordat er symptomen waargenomen worden.

Ziekte bij de mens.
Ook hier zijn de typische ringworm-plekken rood en rond en worden ze steeds groter.
Op een bepaald moment wordt de plek in het midden wat lichter gekleurd en kan het gaan schilferen.
Het doet niet pijn, hooguit jeukt het wat. De plekken kunnen overal op het lichaam voorkomen, ook op
de behaarde hoofdhuid, waar dan kale plekken ontstaan. De nagels kunnen ook aangetast worden,
wat resulteert in kalknagels. De plekken gaan ook vanzelf weer weg. Alleen bij mensen met een
verminderde afweer kan een ander beeld ontstaan. Daar kan de schimmel vaak dieper in de huid
doordringen en daar ernstige en pijnlijke huidontstekingen geven.

Iedereen die regelmatig in aanraking komt met (huis)dieren loopt het risico op besmetting.
De diagnose wordt gesteld door schilfers van de huid (of nagels) af te nemen en deze onder de microscoop
te onderzoeken op aanwezigheid van schimmels. Een tweede methode van onderzoek is het kweken van
schimmels uit de huidschilfers, maar dit onderzoek duurt enkele weken.

Ziekte bij het dier.
Perzische katten zijn berucht om het hebben van schimmel, maar in principe kunnen alle dieren een
schimmelinfectie oplopen. Bij dieren kunnen de ringworm-plekken er uiterst variabel uit zien.
De typische ringwormplekken zijn rood en rond en scherp begrensd. Vaak zijn er ook grauwe schubjes
of korsten en treedt er haaruitval op op de aangetaste plaatsen. Bij runderen en paarden is er meestal
geen jeuk, bij honden en katten wel.

Preventie.
Hygiënemaatregelen zijn het meest simpel en effectief om te voorkomen dat de schimmel kan aanslaan
bij mensen. Dat betekent dus handen wassen na het aanraken van een dier, ook als aan de buitenkant
niet te zien is dat het met schimmel besmet is. Verder is het nodig ervoor te zorgen dat de schimmel niet
ook andere dieren in huis kan besmetten. Daarom moeten aangetaste dieren geïsoleerd worden
(apart zetten). Door alle dieren direct te behandelen, wordt voorkomen dat er dragers overblijven.
Verder kan het nuttig zijn om honden en katten na een show of keuring te wassen met antischimmelshampoo.

Therapie.
Dieren met een schimmelinfectie moeten grondig behandeld worden. Soms is scheren noodzakelijk en
in ieder geval moet er gewassen worden met een antischimmelshampoo en ook moet het dier speciale
tabletjes slikken. Schimmel bij uw huisdier is zeer hardnekkig en het is dus belangrijk om de zaak grondig
aan te pakken en 4-8 weken te behandelen, m.b.v. een schimmelkweek controleren of de schimmel
inderdaad verdwenen is. De infectie bij de mens is zelf-limiterend. Dat wil zeggen dat het meestal vanzelf
weer over gaat. Dit kan echter heel lang duren en gedurende al die tijd blijft de persoon in kwestie
besmettelijk voor zowel andere mensen als dieren.
Daarom is het toch zinvol om de aandoening te behandelen met een schimmelremmende of schimmeldodende
crème.

Tot slot.
Preventieve maatregelen zijn nodig, maar we moeten niet overdrijven.
Het is wel verstandig om ervoor te zorgen dat u op tijd bij een infectie van uw huisdier bent.
In de dierenliniek kan men uw dier onderzoeken en u uitsluitsel geven over het al dan niet aanwezig zijn
van een zoönose. In geval van twijfel over uw eigen gezondheid is het altijd raadzaam om langs uw huisarts
te gaan en deze in te lichten over de eventuele infectie van uw huisdier.

 

                                                         << INDEX-PAGINA >>

                                             © van het Labber Kampje Cavaliers