|
Elke combinatie die een fokker maakt is - als het goed is -
een kwestie van verstand én gevoel. Gevoel omdat een fokker
intuïtief bepaalt waarom de ene reu wel en de andere niet
bij een bepaalde teef past. De een heeft dat
"Fingerspitzengefühl" meer dan de ander, wat er voor zorgt
dat er verschil is in kwaliteit en eenheid tussen de
fokproducten van verschillende kennels. Dat is in
belangrijke mate een kwestie van zien en aanvoelen. Maar om
succesvol te fokken is verstand zeker zo hard nodig. Want
aan fokken valt ook veel te bestuderen en te beredeneren.
Elke dekking kent verschillende kansen. Het gaat erom de
kansen op goede zaken zo groot en die op mindere prettige zo
klein mogelijk te maken.
Gevoel en verstand worden ondersteund door kennis van
stambomen. Als een fokker die bekijkt, gebruikt hij meestal
stambomen die zijn uitgewerkt over vijf generaties. Dat zijn
er dus twee meer dan de drie die staan op de stamboom van de
Raad van Beheer. Een fokker wil ook zien wie de ouders en
grootouders zijn van de overgrootouders. Als het goed is
kent de fokker een aantal honden die op de stambomen
voorkomen, maar zo niet dan kan hij er het nodige over
nazoeken. Aan de hand daarvan vormt hij zich een beeld over
de kwaliteiten van de honden die op de stambomen voorkomen,
en vooral van de combinatie daarvan. Als de stambomen naast
elkaar worden gelegd kunnen er twee dingen blijken: ofwel
bij die 2 x (2+4+8+16+32) hondennamen staat niet één
dubbele, ofwel er komen namen overeen. Is het eerste het
geval, dan spreek je van een “outcross”. In het tweede geval
gaat het technisch gesproken om “inteelt”. Hondenfokkers
onderscheiden daarin nog de ondercategorie lijnteelt.
• BEGRIPPEN
Je spreekt van outcross als in de stamboom van de vaderhond
niet één naam staat die ook voorkomt in die van de
moederhond. Dat betekent dus dat de ouderdieren - althans
binnen vijf generaties - geen familie van elkaar zijn. De
ouderdieren zitten dan genetisch ook verschillend in elkaar.
Verschillend uiteraard slechts voorzover dat binnen een ras
mogelijk is, omdat rasgenoten per definitie veel van elkaar
weg hebben. Zelfs als de ouderdieren in bepaalde opzichten
op het oog overeenkomen, valt bij een outcross combinatie
moeilijk te voorspellen hoe hun pups zullen uitvallen. Die
kunnen op de ouders gaan lijken, maar dat hoeft helemaal
niet. Soms vinden fokkers dat vervelend, soms is het juist
gewenst. Van tijd tot tijd heeft elke fokker namelijk
behoefte aan een verruiming van de mogelijkheden, daarvoor
moet hij een outcross toepassen.
Hondenfokkers spreken van inteelt als de eerste
overeenkomende namen al optreden in de generatie van de
ouders of grootouders. Dat gebeurt dus als een reu met zijn
dochter of zijn moeder wordt gecombineerd of als een
(half)broer en (half)zuster aan elkaar worden
uitgehuwelijkt. Voor alle andere combinaties hanteert men
het begrip lijnteelt. Daarbij vindt je dus ‘ergens' in de
stamboom aan vaders- en moederskant een of meer namen meer
dan een keer terug. De ouderdieren zijn in meer of mindere
mate familie van elkaar.
• VOORSPELBAARHEID
Waar fokkers meestal naar op zoek zijn is een zo groot
mogelijke voorspelbaarheid van het eindproduct. Ze willen
graag pups fokken met een bepaald uiterlijk of met een
bepaalde (werk)aanleg. Om dat te krijgen, dat is nu juist de
sport ! Combineren van fokdieren die een of meer voorouders
delen vergroot de kans dat de pups die zij samen
voortbrengen op die gemeenschappelijke voorouder(s) lijken.
Dat komt omdat de genen van die voorouders als het ware in
een hogere concentratie beschikbaar zijn en dus een grotere
kans hebben tot uitdrukking te komen in de pups.
• EIGEN LIJN
U begrijpt dat deze manier van fokken voor een fokker zeer
interessant is.
Hij kan redelijk gaan voorspellen hoe de puppy's in een nest
gaan worden. Als de fokker dit systeem verder doorvoert
worden in zijn kennel op den duur pups geboren met in hoge
mate dezelfde eigenschappen. Men spreekt dan van het
opzetten van een ‘eigen lijn', waarin bepaalde raskenmerken
zeer sterk zijn vastgelegd. Aan die specifieke kenmerken
kunnen rasspecialisten herkennen uit welke kennel een pup of
hond komt.
Zo iets te bereiken is de droom van veel toegewijde,
serieuze fokkers.
• NADEEL
Helaas, fokken binnen een familie heeft ook een nadeel. De
honden die meerdere malen in een stamboom voorkomen en wier
kwaliteiten (de weg naar) het ideaalbeeld vormen, hebben
namelijk niet alleen goede eigenschappen, maar zijn ook in
staat een aantal ziekten te vererven. Elke hond draagt een
stuk of tien genen voor ziekten bij zich. Dat is geen
probleem, want een ziekte openbaart zich niet, zolang er een
gen voor gezondheid tegenover staat. Dat is normaal
gesproken bijna altijd het geval. De kans dat een pup van
zijn vader en moeder nou net hetzelfde ziektegen erft, en
dus daadwerkelijk ziek wordt, is bij een outcross klein. Bij
lijnteelt echter is die kans bewust vergroot; bij inteelt is
dat extreem het geval. Immers deze manieren van fokken
streven er juist naar de variatie van de genetische
mogelijkheden te reduceren. Deze werkwijze heeft een
onbedoeld bij-effect. Niet alleen in voortreffelijke
eigenschappen, ook in erfelijke gebreken kan een puppy sterk
op de in de stamboom meermalen voorkomende voorouder(s) gaan
lijken. Zelfs zo, dat zich bij de pup openbaart wat die
voorouders slechts verborgen bij zich droegen. Oftewel: de
pup lijdt aan de familiekwaal.
• KANSEN SCHATTEN
Bij fokken gaat het om inschatten van kansen. Bij een
inteeltcombinatie (vader x dochter, zoon x moeder, halfbroer
x halfzuster) is de kans dat ziekten zich openbaren heel
groot. Bij lijnteelt is die kans minder, maar is extra
waakzaamheid wel op zijn plaats. Van een aantal
erfelijkheidszaken kan de fokker op de hoogte zijn. Maar het
is onmogelijk alles te weten. Er spelen immers zo ontzettend
veel genen een rol, en die voor ziekten blijven verborgen
zolang ze niet samen in een individu terecht komen. Met
lijnteelt worden ze daartoe wel aangemoedigd, maar het kan
een tijd duren eer het zover komt. Zelfs het maken van een
pure inteeltcombinatie, wat fokkers bij uitzondering wel
eens op proef doen, hoeft niet meteen tot inzicht te leiden.
Worden er pups met een afwijking geboren dan is zeker dat de
ouders drager daarvan zijn. Maar helaas, het omgekeerde
geldt niet: een gezond nest uit een enkele proefparing wil
niet zonder meer zeggen dat de ouders geen ellende te bieden
hebben, het kan toevallig goed zijn gegaan. Slechts als het
complete DNA in kaart zou zijn gebracht zou je weten wat een
hond genetisch te bieden heeft, ook in het negatieve. Zover
is het echter nog niet. Inzicht op basis van DNA is er
alleen voor bepaalde ziekten en bij bepaalde rassen. De
Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren en het daarvan
afgeleide concept Centraal Fokbeleid van de Raad ontmoedigt
inteelt, omdat die fokmethode het grootste gezondheidsrisico
oplevert. De Raad is van plan pups uit een pure
inteeltcombinatie niet meer in te schrijven in het NHSB.
Anders dan mensen wel eens denken zal lijnteelt echter
gewoon toegestaan blijven |