|
B |
|
Evenwicht. Wordt bij beweging hersteld door
verplaatsing/aanpassing van het zwaartepunt. |
|
|
Biodynamica |
natuurlijk evenwicht tijdens de beweging. |
|
|
Biostatica |
natuurlijk evenwicht in stilstand. Tegengesteld aan statisch is
kynetisch = beweging. |
|
|
Bewegingseenheid |
de periode waarin alle 4 de benen (in bepaalde volgorde) aan de
beurt zijn geweest. |
|
D
|
Diagonaal |
een denkbeeldige lijn tussen linkervoorvoet en
rechterachtervoet, en tussen rechtervoorvoet en
linkerachtervoet. |
|
|
Draf |
2 fasen Gangwerk waarbij de diagonale voeten tegelijk op de
grond komen. |
|
E
|
Eensporig gaan |
Het tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten, dat de
voetafdrukken (sporen) op een lijn komen. (single tracking )
|
|
F
|
Fase |
de tijdseenheid waarin 1 been, of een combinatie van benen het
lichaam dragen. Het aantal fasen bepaald de soort gang.
|
|
G
|
Gaan. |
Met “gaan” wordt de voortbeweging bedoeld. Dit kan op
verschillende manieren, bijv. nauw, ruim, rollend of zwevend
gaan. (zie verder in deze lijst) |
|
|
Gangwerk |
De wijze van voortbewegen. |
|
|
Gebonden gaan. |
De achterbenen gaan niet ver onder het lichaam en niet ver er
onder uit, net alsof de poten aan elkaar gebonden zijn, dus
kleine passen. |
|
|
Gepaarde spieren |
Komen in paren voor, de meeste zijn van belang bij de
voortbeweging. |
|
H |
Hackney gang |
een variant op de draf, maar de voorbenen worden overdreven hoog
opgetild. |
|
K
|
Kinetisch evenwicht |
Evenwicht/houding tijdens de beweging. |
|
|
Korte galop |
3 fasen. langzamer dan de normale galop en waarbij 2 benen los
van elkaar, en 2 benen diagonaal gebruikt worden. |
|
|
Kruisen |
Bij geringe snelheid de voeten voor elkaar langs plaatsen.
(fout) |
|
L
|
Lateraal |
de denkbeeldige verbindingslijn tussen de voeten aan een kant.
|
|
N
|
Nauw gaan |
De benen blijven te dicht bij elkaar staan. Nauw gaan komt voor
in voor- en achterhand. |
|
|
Normale galop |
3 fasen. Dit is de snelste gang waarbij de benen 1 voor 1 het
lichaam ondersteunen en vaak gevolgd door een zweefmoment
|
|
P
|
Pas |
de afstand van de opeenvolgende voetafdrukken van dezelfde voet.
|
|
|
Pas afwikkelen. |
Het goed onder het lichaam plaatsten en correct afwerken van de
pas naar achteren. |
|
R
|
Racy gebouwd |
Op snelheid gebouwd, met lange benen. Bijv. Windhonden.
|
|
|
Ren galop |
4 fasen gang. Waarbij de benen onafhankelijk van elkaar lateraal
bewegen en met 2 zweefmomenten. |
|
|
Rollend gangwerk |
Als de benen steeds onder het zwaartepunt worden geplaatst
tijdens het gaan, blijft de rug recht. Worden de benen naast het
lichaamgeplaatst dat ontstaat er een schommelend gangwerk, ook
wel rollend gangwerk genoemd. |
|
|
Ruim gaan |
De benen gaan ruim voor en achteruit. (grote stappen snel thuis)
gewenst gangwerk. |
|
S
|
Scheppen |
Het voorwaarts gooien van de benen in plaats van een vloeiende
beweging |
|
|
Sikkelhak |
Een stijve (sikkelvormige) hak die niet gestrekt kan worden,
voet kan de pas niet afwikkelen. |
|
|
Single tracking |
éénsporig gaan |
|
|
Slingeren |
Het overdreven zijwaarts draaien van de benen. (fout)
|
|
|
Snoeren |
Minder vaak gebruikt woord voor éénsporig gaan. |
|
|
Stap |
Langzame manier van bewegen waarbij de benen stuk voor stuk
worden neergezet. 4 fasen |
|
|
Statisch evenwicht |
de stand in rust. |
|
|
Stap |
diagonale gang, waarbij de voeten 1 voor 1 van de grond gaan
altijd 3 voeten op de grond. |
|
|
Steppen |
Het hoog opgooien van de voorbenen (ook de achterbenen worden
daarbij hoger opgetild). |
|
|
Stuwen |
Het krachtig afzetten van de achterbenen tijdens het bewegen.
|
|
T
|
Telgang |
Voor- en achterbenen bewegen eenzijdig in paren, luie en
gemakkelijke gang. 2 fasen. Laterale gang (denkbeeldige lijn
tussen de voor- en achtervoeten aan dezelfde kant) Geeft een
zijwaartse evenwichtsverstoring, schommelende gang. |
|
V
|
Vectoren |
fases- onderdeel.. |
|
Z
|
Zweefmoment |
moment waarop alle voeten van de grond zijn. |
|
|
Zwevende draf |
een snelle gang waarbij alle 4 de voeten even van de grond af
zijn. |
|
|
Zwevend gaan |
De hond loopt licht en soepel |