Colostrum
 

Biest of colostrum is de eerste melk die gevormd wordt als een zoogdier, en zoals we allemaal weten, een hond is een zoogdier dus onze cavaliertjes ook,  bevallen is.

Waarom is biest zo belangrijk?

Dit is voor iedere pup een eerste levensbehoefte.
Biest is dikker en geler dan melk en bevat veel afweerstoffen. Een dier dat net is geboren, heeft nog geen eigen afweer, dus is het heel belangrijk dat het dier biest drinkt. 75% van de eiwitten in biest bestaat uit immunoglobulinen* en albuminen* normaal kunnen deze grote eiwitketens de darmwand niet passeren; alleen in de eerste 24 tot 36 levensuren staat de darmwand open voor deze afweerstoffen. Door de hoge concentratie aan zouten in de biest wordt de darmfunctie bevorderd. Ook bevat biest meer vitamine A en caroteen dan gewone melk.

Het bevat minder vet en suiker waardoor het lichter verteerbaar is. Het eerste 24 uur na de bevalling is de biest het rijkst aan afweerstoffen, daarna loopt het snel terug en komt de gewone melk op gang. Is de moeder nog aanwezig maar wil zij niets van de pups weten? Probeer dan zoveel mogelijk biest
(eerste melk) op te vangen.
Wij doen dit met een kleine injectiespuit van 1 of 2 ml (zonder naald uiteraard). Druk op de tepels van de moederhond tot u melk ziet, zuig dit op met het spuitje. Houdt hierbij wel rekening dat dit een langdurige kwestie is!  Maar indien de biest niet aanwezig is, is dit ook geen probleem want ook zonder biest kan de
pup opgroeien.
Heeft u een beetje biest opgevangen verdeel dit dan over de pup(s) die u heeft door middel van
druppeltjes in de bek. Iedere druppel is belangrijk voor de pup!

* Immunoglobuline.
Immunoglobulines (afgekort Ig) of antilichamen zijn
eiwitten die door de mens en andere gewervelde dieren worden geproduceerd als antwoord op het binnendringen van het lichaam van een lichaamsvreemde stof of lichaamsvreemde cellen, antigenen. Ze vormen daarmee een belangrijk onderdeel van het immuunsysteem. Immunoglobulines komen in het bloed en in de extracellulaire vloeistof in weefsels voor.

De werking :
Immunoglobulinen binden aan een
epitoop van het antigeen. Dit kan verschillende effecten hebben:
Neutralisatie : Dit betekent dat het antilichamen aan bepaalde gedeeltes van het antigeen binden, waardoor het antigeen geen interacties met cellen of moleculen meer aan kan gaan. Het antigeen verliest hierdoor zijn werking. Dit gebeurt onder meer bij gifstoffen (bijvoorbeeld geproduceerd door bacteriën, zgn. exotoxines) of virussen.
Opsonisatie :  Door omringen van antigeen met antilichamen wordt fagocytose (het als het ware opeten van cellen) vergemakkelijkt. Dit komt omdat fagocyterende cellen receptoren bezitten voor het constante deel van immunoglobuline (Fc-receptoren).
Het
complementsysteem wordt geactiveerd. Dit leidt tot verbetering van de opsonisatie, omdat fagocyterende cellen ook complementreceptoren bezitten. Hierdoor wordt fagocytose nog verder vergemakkelijkt. Ook kan het binden van complement leiden tot directe vernietiging van het antigeen.
Celgemedieerde cytotoxiciteit die afhankelijk is van antilichamen : Dit is ook wel bekend onder de Engelse afkorting
ADCC, die staat voor antibody dependent cell-mediated cytotoxicity. Dit is vernietiging van het antigeen door NK-cellen. Deze cellen bezitten ook Fc-receptoren en door binding aan antilichamen geven zij bepaalde stoffen af die het antigeen doden.

* Albumine.
Albumine is kwantitatief het belangrijkste
eiwitmolecuul in het bloedplasma. Omdat het in de gezonde situatie niet uit de bloedhaarvaten kan treden, speelt het een belangrijke rol bij de handhaving van de juiste druk in de bloedvaten.
Is de albumineconcentratie in het bloed hoger dan buiten de bloedbaan, dan wordt er water naar de bloedvaten toegetrokken. Albumine heeft derhalve een water aanzuigende werking. Op deze manier wordt de juiste druk verkregen. Hierdoor wordt enerzijds voorkomen dat te veel water vanuit de bloedbaan naar de weefsels gaat en anderzijds dat te veel water naar de bloedbaan toestroomt. De hoeveelheid water in de bloedbaan blijft daardoor nagenoeg constant, en daarmee het totale bloedvolume.

Daarnaast verzorgt albumine het transport van stoffen in het bloed. Zowel lichaamseigen stoffen als lichaamsvreemde stoffen zoals medicijnen.

Albumine wordt toegediend bij de behandeling en preventie van diverse vormen van
shock. Dit is een situatie waarbij het circulerend bloedvolume (in absolute of relatieve vorm) te kort schiet, door bloedverlies of bloedvatverwijding, om een adequate weefseldoorstroming te verzorgen. Dit kan gebeuren bij ernstige bloedingen door bijvoorbeeld operaties, bij ernstige brandwonden of bij bloedvergiftiging.




 
                                                                       
<< INDEX-PAGINA >>