|
A |
Annulus fibrosus |
sterke bindweefselring van de tussenwervelschijf van de
wervellichamen. |
|
|
Artritis |
Ontsteking van het gewrichtskraakbeen. |
|
|
Arthritis-perifeer |
Ontsteking rondom een gewricht. |
|
|
Arthrose |
gewrichtsbeschadiging. |
|
|
Atlas |
1ste wervel, ja-knikkende beweging. 2de
wervel is de draaier, nee-schudden. |
|
B |
Been soorten |
massief been bestaat alleen uit botcellen en celtussenstof.
Sponsachtig been zit vol holtes die opgevuld worden met rood
beenmerg
(aanmaak van bloedcellen en bloedplaatjes.) |
|
|
Beenderen soorten |
Holle of pijpbeenderen Platte beenderen Korte beenderen |
|
|
Been verbindingen |
Starre verbindingen. Halfstarre verbindingen. Bewegelijke
verbindingen |
|
|
Beenvlies |
zit om het bot. Hierin bevinden zich bloedvaten voor aanvoer van
voedingsstoffen
en zuurstof en afvoer van afvalstoffen. In het beenvlies vindt
de celdeling plaats
die verantwoordelijk is voor de diktegroei. |
|
|
Bekken |
Bestaat uit darmbeen / zitbeen / schaambeen |
|
|
Boeggewricht |
gewricht tussen schouderblad en opperarm. |
|
|
Boezem |
holte in beenplaat van de schedelbeenderen. |
|
|
Botcel |
ruwe stervormige cel. |
|
C |
Callus |
bobbel die ontstaat na een beenbreuk. |
|
|
Calve ziekte |
Ziekte van Legg Calve waarbij de heupkop langzaam af sterft. |
|
D |
Draaier |
2de wervel voor de nee-schuddende beweging. 1ste
wervel is atlas (ja-knik) |
|
|
Diaphragma |
Middenrif. |
|
|
Doornuitsteeksel |
Uitsteeksel aan de bovenzijde van de wervels. |
|
E |
Epifiarschijven |
Groeizone voor de lengte groei.. Kraakbeenschijf aan het
uiteinde van het bot. |
|
G |
Gewrichtskapsel |
iets dikker beenvlies over het gewricht |
|
|
Gewrichtsmuizen |
losse kraakbeenstukjes die rondzweven in de gewrichtsholte. |
|
|
Gewricht soorten |
kogel = beweegt in alle richtingen.
scharnier = beweegt in een richting.
zadel = beweegt in 2 loodrecht op elkaar staande vlakken
rol = het ene been rolt over het andere been.
straf = geringe beweging mogelijk. |
|
H |
Haemale boog |
boog onderaan de staartwervels. Waar bloedvaten doorheen lopen. |
|
|
Halfstarre verbinding |
beweeglijke soepele verbinding |
|
|
Haverse kanalen |
voedingskanalen. De aanvoer van voedingsstof en zuurstof. |
|
|
Hielbeen |
aanhechtingsplaats van de achillespees. |
|
|
Hernia-vertrebalis |
verlamming aan de achterhand. |
|
|
Holle beenderen |
Pijpbeenderen, bevatten gele beenmerg. |
|
K |
Kaakboezem |
boven kaakbeenderen. |
|
|
Katrol/sprongbeen |
voetwortelbeentjes. |
|
|
Korte beenderen |
Massieve sterke structuur |
|
|
Kraakbeen |
stevig weefsel dat een beetje vervormbaar is. bijv oorschelp,
neustussenschot en
luchtpijp. |
|
|
Kruisbeenwervels |
Drie met elkaar vergroeide wervels. |
|
L |
L.P.C |
losse
proces coronoïdeus.
Een los stukje bot in gewricht bijv. in de elleboog.
1ste vorm = een waarbij de gehele punt afbreekt.
2de vorm = de punt in stukjes uiteen valt.
3de vorm = waarbij de P.C. gedeeltelijk afbreekt en
ingeklemd blijft tussen
Spaakbeen en elleboog |
|
|
L.P.C |
Een uitstulping die eerst in kraakbeen, later uit bot bestaat. |
|
M |
Massief been |
bestaat alleen uit botcellen en celtussenstof. |
|
|
Myositis |
ontstoken pezen en spieren. |
|
N |
Nekband |
brede band bij halswervel, is verwijd tot verticale plaat. |
|
O |
O.C.D |
osteochondritis = erfelijke afwijking. |
|
|
Osteoblasten |
botvormers, zijn cellen die been vormen (door afzet van kalk en
fosforzouten) |
|
|
Osteoclasten |
botruimers, cellen die celtussenstof kunnen afbreken en
opruimen. |
|
P |
Patella |
knieschijf. |
|
|
Patella luxatie |
loszittende knieschijf, vaak veroorzaakt door ondiepe groef
geleiding. |
|
|
Patella luxatie vorm |
1. Patella luxatie naar mediaal = knieschijf binnenkant van de
knie schiet weg.
2. Patella luxatie naar lateraal = knieschijf naar buiten schiet
weg.
3. Habituele patella luxatie = knieschijf verschuift een kort
moment.
4. Stationair patella luxatie = knieschijf schuift eraf en
springt af en toe terug. |
|
|
Pelvis |
heupbeen. |
|
|
Platte beenderen |
Platte beenderen |
|
R |
Reticuline vezel |
vezelrijke band die loopt over de doornuitsteeksels. |
|
|
Ribben |
13 paar waaronder;
9 paar ware of echte, verbonden aan het borstbeen,
3 paar valse, met kraakbeen verbonden aan het laatste paar ware
ribben.
1 paar zwevende, aan de onderzijde niet verbonden. |
|
S |
Scapula |
schouderblad. |
|
|
Schedelbeenderen |
platen die eigenlijk in elkaar schuiven, bv; fontanel. |
|
|
Sesambotje |
verbeende peesplaat.(ook hulpstukken) |
|
|
Skelet onderverdeling |
Beenderen v.d romp, wervels en borstkas
Beenderen van gordels en ledematen
Beenderen van de schedel |
|
|
Sleutelbeen |
Heeft een hond niet, alles wordt op zijn plaats gehouden door
spierbanden en pezen |
|
|
Somatonedine |
geeft sein aan de lever om deze aan te maken. Voor spierweefsel
en melkproductie. |
|
|
Somatotropine |
groeihormoon (eiwit) is diersoort specifiek |
|
|
Sponsachtig been |
gevuld met rood beenmerg waarin aanmaak bloedcellen plaatsvindt. |
|
|
Starre verbinding |
volledige vergroeiing en naadverbindingen.. |
|
|
Sternum |
borstbeen. |
|
|
Synovitis |
ontsteking in gewrichtskapsel. |
|
T |
Tendinitis |
ontstoken tunnel, pees en binnenkapsel van de peesschede |
|
|
Tendovaginitis |
ontstoken tunnels van de peesschede |
|
|
Telefoonbotje |
elleboog uitsteeksel. |
|
V |
Voorhoofdsboezem |
voorhoofdsholte of holte van voorhoofdsbeenderen. |
|
W |
Wervel verdeling |
7 halswervels / 13 rug of borstwervels / 7 lendenwervels 3
kruisbeen of heiligbeen
wervels /20-23 staartwervels |
|
Z |
Ziekte van
Calve Legg Perthes |
de heupkop sterft langzaam af. |